Opinie

Onderwijsland, durf de realiteit onder ogen te zien (en stop met vragen om waardering)

De Onderwijsraad bracht afgelopen donderdag een advies uit over hoe het onderwijs de gevolgen van de coronacrisis kan ondervangen. Een vrij uitgebreid advies, waarin wordt ingegaan op de positie van kwetsbare leerlingen en wordt gekeken naar de belangen van leerlingen, ouders, scholen en leerkrachten. Dit advies bereikte uiteraard ook de media en onder andere de NOS en RTL Nieuws haastten zich om erover te berichten. En wat deden “wij” als beroepsgroep? We lazen de koppen en schreeuwden moord en brand, ik vermoed zonder het rapport zelf op te zoeken en te lezen wat de Onderwijsraad nu daadwerkelijkadviseert. Want het rapport werd in de meeste berichtgeving ontdaan van alle nuance en sterk uit zijn verband getrokken.

Berichtgeving in de media

De NOS kopte: “Onderwijsraad: begin schooljaar eerder als scholen na meivakantie dichtblijven” om in de eerste zin te stellen dat volgens de Onderwijsraad het nieuwe schooljaar eerder moet beginnen als de scholen na de meivakantie nog dicht blijven. Een heftige uitspraak, want de onderwijsvakantie is een heilig huisje waar je niet zomaar aan mag zitten. Een storm van kritiek laaide op. Begrijp me niet verkeerd, ook ik ben gehecht aan mijn vakanties. Ik ben ook van mening dat het altijd goed is om kritisch te zijn en niet alles zomaar te slikken. Maar dit laatste betekent ook dat je verder moet kijken dan je neus lang is. Of in dit geval: verder kijken dan de clickbait die je in hapklare brokken door de NOS wordt aangeboden en gretig aftrek vond. Hoe? Door simpelweg te lezen wat de Onderwijsraad zélf schrijft, in plaats van de samenvatting van de media. De meeste kritiek op het rapport is mijns inziens namelijk onterecht. Ik neem je mee in de voornaamste kritieken en zoek terug in het rapport wat er daadwerkelijk gezegd wordt. 

Kritiek 1: de Onderwijsraad neemt docenten niet serieus

Één van de meest voorkomende reacties is dat de Onderwijsraad docenten niet serieus zou nemen met dit voorstel. We werken nu met zijn allen keihard om onderwijs op afstand te geven, en dan wordt ook nog eens onze zomervakantie afgepakt?! 

Kritiek 2: leerachterstanden verzinnen we zelf

Als wij bepalen dat het gewone curriculum door moet lopen, dan creëren we leerachterstanden, maar we kunnen er ook voor kiezen de richtlijnen aan te passen, in plaats van de kinderen aan de richtlijnen aan te passen. 

Kritiek 3: gebrek aan waardering

Dit advies wordt aangegrepen als zoveelste uiting van een gebrek aan waardering. We mogen nu hard werken om onderwijs op afstand te verzorgen, en als dank worden we beloond met een kortere zomervakantie. Stank voor dank!

Het advies

Wanneer je het rapport leest, zie je dat dit beeld niet strookt met wat de Onderwijsraad daadwerkelijk adviseert. Voordat de Onderwijsraad überhaupt een paar maanden vooruit kijkt, staat zij eerst stil bij kinderen in onveilige thuissituaties. Het advies? Ondersteun scholen bij de opvang van deze jongeren door duidelijkheid te geven over wat er van ze gevraagd wordt. Pas dan schetst de Onderwijsraad verschillende “lange termijn” scenario’s, waarin zij stelt dat de schade te overzien valt als de scholen na de meivakantie weer opengaan. De zorgen gaan dan alleen uit naar leerlingen “met wie de school het contact verloren heeft, die lesmateriaal niet ophalen en niet deelnemen aan digitale lessen”

Wanneer de scholen langer dicht blijven, worden de zorgen om deze groep leerlingen groter: “Groepen leerlingen voor wie afstandsonderwijs moeilijker is, vragen dan nog meer aandacht. De raad denkt daarbij aan leerlingen bij wie thuis ondersteuning, een goede werkplek of materiële middelen ontbreken, die sneller kampen met concentratie- of motivatieproblemen of die veel instructie, structuur en begeleiding nodig hebben om te leren”. Dit lijkt mij een hele legitieme zorg. En volgens mij zijn deze kinderen ook de kinderen waar wij ons als vakdocent en als mentor ernstig zorgen over maken. De Onderwijsraad neemt deze zorgen serieus. Daarmee neemt ze ook docenten die deze zorgen delen serieus.

Pas na deze uiteenzetting over kwetsbare leerlingen wordt er gerept over de zomervakantie, en dat stuk wil ik hier integraal plaatsen: 

“In het laatste scenario (wanneer de scholen tot de zomervakantie dicht blijven, JR) valt te overwegen om anders om te gaan met de zomervakantie. Mogelijke opties zijn de vakantie inkorten of (deels) naar voren halen. Een andere optie is om de verplichte vakantieperiode te versoepelen zodat onderwijsactiviteiten voor bepaalde groepen leerlingen in de zomer mogelijk worden. Elke variant vraagt aanpassing van de Regeling vaststelling schoolvakanties 2019-2022. En aan elk kleven mitsen en maren. Het is zaak goed te kijken naar voor- en nadelen vanuit het perspectief van leerlingen en ouders én vanuit het perspectief van mensen die in het onderwijs werken.”

Lees dit stuk, het stuk wat de media oppikken en volledig uit zijn verband trekken, en je ziet hoeveel nuance er in dit advies schuilt. Het valt te “overwegen”, het is een “mogelijke optie”, het gaat over “inkorten of (deels) naar voren halen”, er is ook nog een “andere optie”, aan elke variant kleven “mitsen en maren” en het is belangrijk te kijken naar “voor- en nadelen”, waarbij mensen die in het onderwijs werken expliciet benoemd worden. 

We leren leerlingen altijd om kritisch te kijken naar nieuwsartikelen en naar de wereld in het algemeen. Dan is het zo jammer dat we zonder het advies te lezen moord en brand schreeuwen over onze heilige zomervakantie, aannemen dat de Onderwijsraad van ons verwacht dat we het curriculum afwerken zoals in ieder ander schooljaar en ons werk niet gewaardeerd wordt. Ik lees juist een advies waarin ik als docent serieus wordt genomen in de zorgen die ik heb om mijn leerlingen. Daarnaast lees ik veel nuance en een voorzichtig voorstel om “outside the box” te denken. Desperate times call for desperate measures, wordt er (terecht) afgevraagd. Want over die leerachterstanden; als er iets duidelijk wordt, dan is het wel dat sociale ongelijkheid ervoort zorgt dat het ene kind wel tot leren komt en het andere kind bij scholen uit beeld raakt. Als je docent bent: dit is/zijn die leerling(en) waar je al weken geen of slecht contact mee hebt, die niets inlevert/inleveren en die je in vergaderingen nog maar eens ter sprake brengt omdat je je ernstig zorgen maakt. Natuurlijk is het een fijne gedachte om te zeggen dat we leerachterstanden zelf “verzinnen”, omdat wij volwassenen uiteindelijk het curriculum bepalen. Dat betekent dat dit probleem heel simpel op te lossen is. Maar met deze gedachte steek je simpelweg je kop in het zand. Hoe moeilijk het ook is, accepteer dat kwetsbare leerlingen extra hard geraakt worden in deze coronacrisis en sta open voor ideeën om deze leerlingen te ondersteunen. 

Waardering

Tot slot nog de vraag die veel gesteld wordt: is het inkorten van de vakantie de manier waarop je docenten waardeert die hard werken tijdens de crisis om onderwijs te verzorgen? In een tijd waarin alle verloven van ziekenhuispersoneel ingetrokken is, zij meer uren dan ooit draaien terwijl ze een gezondheidsrisico lopen hebben wij docenten net gehoord dat we er weer 2,75% op vooruit gaan, plus een bruto bonus van € 750 euro en een verhoging van de dertiende maand. Vragen om waardering lijkt mij zeker in dit licht een zwaktebod. Waardering vraag je niet, die moet je verdienen. Je verdient waardering wanneer je onbaatzuchtig het belang van je leerlingen voorop stelt, zoals zorgpersoneel hun patiënten onbaatzuchtig voorop stellen. En dat doen we! We werken al sinds het begin van de coronacrisis met zijn allen keihard om onderwijs op afstand zo goed mogelijk vorm te geven, er ontstaan prachtige initiatieven en we hebben als beroepsgroep in een maand tijd misschien wel meer geleerd en geïnnoveerd dan in de tien jaar hiervoor. Wees hier trots op, en laat deze daden voor zichzelf spreken! Dan hoeven we niet om waardering te vragen, maar komt deze waardering vanzelf. 

Opinie

Waarom de vmbo-klas niet het probleem is

Dit artikel verscheen in de Nationale Onderwijskrant 2019 en op platform het kind van stichting nivoz

Velen noemden het artikel van Johannes Visser waarin hij vertelt dat hij zijn vmbo 3 klas niet stil kon krijgen “moedig”. In een tijd waarin we successen opblazen en van de daken schreeuwen, is toegeven dat iets niet lukt inderdaad moedig en waardevol. Johannes Visser wijst in zijn artikel terecht op het belang van “orde houden” voor een docent: “Iedere leraar weet: orde in de klas is een voorwaarde om les te kunnen geven, om kinderen iets te leren”. Dit is een thema dat ook in mijn lespraktijk als beginnend docent op het vmbo een centrale rol inneemt.  

Toch zet ik mijn vraagtekens bij zijn probleemanalyse. Zo vertelt hij dat hij dezelfde les voor vwo 2, havo 3 en vmbo 3 had voorbereid. Naarmate het leerwegniveau daalde, verliep de les stroever: ‘In 3 vmbo deed bijna niemand iets. Het werd rumoerig, leerlingen probeerden stiekem YouTube-filmpjes te kijken, schreeuwden van de ene naar de andere kant van de klas.’ De reactie van Johannes Visser was naar eigen zeggen wat hij altijd al had gedaan: ‘er niet te veel aandacht aan besteden, en de volgende les streng beginnen.’ Ook de volgende les loopt het mis; hij moet van lokaal wisselen en het te behandelen onderwerp (het gebruik van lidwoorden) is te saai voor pubers. 

Elke keer dat de auteur dicht bij de kern van het probleem komt, draait hij mijns inziens om de hete brij heen door te verwijzen naar externe factoren. Ja, op het vmbo zitten meer ‘leerlingen met leerproblemen, motivatieproblemen, gedragsproblemen en handelingscontroleproblemen in de klas’, hebben leerlingen over het algemeen meer aandacht nodig en komen er door passend onderwijs steeds meer leerlingen in het regulier onderwijs die vroeger zouden zijn uitgestroomd naar speciaal onderwijs. En eerlijk is eerlijk, ik ken maar weinig pubers die, wanneer ze de keuze zouden hebben, zich vrijwillig zouden verdiepen in het gebruik van lidwoorden. 

“Leerlingen op het vmbo hebben jouw vakmanschap misschien wel harder nodig dan de gemiddelde havist of vwo-er.”

Een docent heeft, helaas, weinig invloed op al deze factoren. De andere kant is echter dat leerlingen op het vmbo jouw vakmanschap misschien wel harder nodig hebben dan de gemiddelde havist of vwo-er. De factoren die jij als docent namelijk wél kan beïnvloeden, leveren bij deze doelgroep direct leerwinst op. Lesgeven is geen kunstje, maar een vak. Een vak waarin je voor de zware uitdaging staat je meerdere rollen eigen te maken. Als docent ben je onder andere pedagoog: je moet vanaf les één interesse tonen in je leerlingen, voorspelbaar en consequent zijn, duidelijke kaders bieden en zorgen voor een veilig klassenklimaat. Het kennen van hun namen is ongeacht het niveau daarbij essentieel. Visser zegt: ‘Ik kende geen van de namen van de leerlingen. In m’n vwo-klas kwam ik daarmee weg, daar kon ik zeggen ‘klas, ik wil dat jullie stil zijn’, maar in m’n vmbo-klas moest ik iedereen individueel aanspreken.’ Ook die vwo-leerling verdient het om gezien te worden. Dat je er mee weg komt, betekent niet dat vwo-leerlingen geen behoefte hebben aan een persoonlijke aanpak.

Je bent tevens didacticus: je moet leerstof aanbieden op niveau, een stap terug kunnen doen wanneer de benodigde voorkennis ontbreekt en leerlingen de tools bieden om vrije opdrachten uit te voeren. De heilige graal is om “saaie” lesstof zo aan te bieden dat leerlingen het belang ervan inzien en je hen kan inspireren. Op het moment dat jij leerlingen weet te boeien, ontstaat er geen rumoer en kunnen die YouTube-filmpjes wel even wachten.

“Ook een natuurtalent zal regelmatig onderuit gaan. Lesgeven is immers een ervaringsvak.”

Dit kun je niet van de één op de andere dag, ook een natuurtalent zal regelmatig onderuit gaan. Lesgeven is immers een ervaringsvak. Maar wanneer je kritisch durft te kijken naar je eigen handelen, zie je dat de factoren die je wel kunt beïnvloeden door je te bekwamen in je vak uiteindelijk die externe factoren minder belangrijk kunnen maken. Juist vmbo-leerlingen schatten dit vakmanschap op waarde en geven je er waardering voor.

Dat kan inderdaad niet op halve kracht. Het vergt passie voor wat je doet, zelfkritiek en doorzettingsvermogen. Ik ben er nog lang niet, ook ik maak met grote regelmaat fouten. Ik heb nog heel veel te leren. Dat maakt het docentschap zo mooi. Maar gelukkig kan ik ook vóór Kerstmis lachen wanneer ik lesgeef, zonder daardoor de controle te verliezen. Ik gun Johannes Visser de energie om zijn zoektocht voort te zetten zodat hij zijn concept artikel af kan maken en kan publiceren. Maar belangrijker nog: zodat hij als docent voorbij de stereotypes kan kijken en kan genieten van de prachtige jonge mensen die op onze vmbo’s zitten.